Copyrights Bram: Sjaak van Hoogendoorn
Copyrights Bram: Sjaak van Hoogendoorn
Zondebok Wolf
Ooit waren er volkeren op deze aarde die de wolf eerden om zijn moed en kracht, zijn intelligentie, intuïtie en meesterschap, zijn zorgzaamheid, loyaliteit en samenwerking in een gemeenschap. Ze hadden niet alleen eerbied voor de wolf, maar ook voor het leven in de natuur en de dood in het hiernamaals. Met het grotendeels verdwijnen van deze volkeren, verging eveneens het respect en waardigheid ten aanzien van de wolf. Opgehitst door een bepaalde geloofsovertuiging werd hij verguist, vernederd, zijn ziel besmeurd met zwartmakerij en ten langen leste bekeerd tot zondebok.
Door Hans van de Pol, WWL Coördinator Wolfwerende rasters, WWL Wolvenwachter en WWL auteur, 30 juni 2026.
In het Algemeen Nederlands Woordenboek vinden we de volgende definitie van het woord ‘zondebok’: ‘Iemand die de volledige schuld krijgt en bestraft wordt voor iets dat verkeerd gaat, ook als hij die verantwoordelijkheid met anderen deelt of als die beschuldiging onterecht is; iemand die altijd de schuld krijgt voor alles wat er fout loopt’.
Zondebokken zijn van alle tijden. Dat was vroeger in de Middeleeuwen al zo, dat is nu en waarschijnlijk zal dat in de nabije toekomst ook zo zijn. Vooral mensen die ‘anders’ zijn, die behoren tot minderheden, machteloos zijn of deel uitmaken van de zwakkeren in de samenleving, worden meestal voor zondebok uitgemaakt. Ze krijgen vaak de schuld van iets waar zij helemaal niets aan kunnen doen. Ongewild dragen zij de zonden van anderen wat als een zware last op hun schouders rust. Er wordt rondom de zondebok bewust een vijandbeeld geschept dat zich verspreidt als een heidebrand en die nauwelijks te blussen is. De zondebok is een creatie van gefrustreerde, machteloze mensen die geen uitweg meer zien in een opeenstapeling van onvoorziene of zelf gecreëerde problemen en eigen tekortkomingen, waardoor ze hun negatieve emoties achteloos botvieren op anderen die zich nauwelijks of niet kunnen weren.
Het zijn niet alleen mensen die het predicaat van zondebok krijgen opgespeld, ook dieren kunnen dit trieste lot ondergaan. Sinds de terugkeer van de wolf in Nederland, raakte hij steeds meer in het vizier van mensen die het niet konden verkroppen dat het dier een hoge beschermingsgraad kreeg toegewezen en daarmee zich vrij door het land mocht bewegen. Een slechte naam uit het verleden, vee-aanvallen waar de oorzaak grotendeels ligt bij de dierenhouders zelf, ophitsingen van ondoordachte personen in de media, fantaserende fabulanten en predikanten en ondeskundige politici die zich negatief uitlieten, maakten van de wolf opnieuw een zondebok; Zondebok Wolf!
Zondebok Wolf is een creatie van de mens, niet van de natuur. De natuur kent geen zondebokken. Die heeft ze nooit gehad, die heeft ze nu niet en zal er ook nooit komen. In de natuur heerst respect en waardigheid voor elkaar en is geen plaats voor zondebokken, laat staan voor mensen die zondebokken creëren.
Zondebok Wolf is gemaakt door het soort mens dat zich als heerser ziet over de natuur. Het soort mens dat zich het recht toe-eigenend om de natuur te beheren, te bezitten en ermee te doen wat nodig is in eigen belang; het soort mens dat onze met bloed doordrenkte aarde slechts ziet als een enorm altaar waarop al wat leeft eindeloos en onophoudelijk moet worden geofferd.
Zondebok Wolf is zwart gemaakt door kwaadsprekerij en vergiftigd met lasterpraat, waardoor het lijkt alsof hij de enige schuldige is van alle ellende, rottigheid en rampspoed dat iemand, een gemeenschap of een land maar kan overkomen.
Zondebok Wolf is door een Staatkundig Gereformeerde Partij met aangehaalde Bijbelteksten over hem onterecht gedemoniseerd en zodoende in de Bijbel (door G’d) als een kwaadaardig roofdier werd afgeschilderd.
De wolf was ooit een mythisch dier, een spirituele gids die dicht bij onze oerinstincten stond en ons lessen aanreikte over samenleven, leiding nemen en zacht zijn voor onszelf. In het Jodendom is de wolf één van alle schepsels en in de ogen van de mens mag er geen één verachtelijk zijn. Alle schepsels, van de grootste tot de allerkleinste, moeten in de ogen van de mens belangrijk zijn. Hij moet er aandacht aangeven en goed doen aan elk schepsel dat zijn goedheid nodig heeft (Tomer Devorah hoofdstuk 2 paragraaf 1).
En G’d schiep de wolf, G’d maakt geen fouten (Jodendom-online)